Opvoeden in harmonie

Laatst zat ik in de bibliotheek van Wageningen een prachtig boek over pedagogiek te lezen. Het ging over Johann Friedrich Herbart, een pedagoog en filosoof die we nadrukkelijk niet meer hoeven te bestuderen op de lerarenopleiding.

Wanneer ik in een stad ben, is de bibliotheek altijd mijn favoriete hangplek. Ten minste, als het er een is met een groot raam dat uitkijkt over een drukke winkelstraat. Zo kan ik mooi mijn aandacht verdelen tussen mijn boek en de schijnbaar veelvormige mensenmassa die aan me voorbij trekt.

Wageningen is een klein stadje met een grote universiteit. Daardoor zie je hier mensen uit de hele wereld, waaronder duizenden Chinezen. Drie van hen liepen langs het raam van de bibliotheek waar ik zat te lezen. Het waren vrouwen en ze hadden min of meer dezelfde schoenen, jas, rugzak en haarstijl. Smaakvol, maar vooral ook eenvoudig en praktisch. Ze komen dus zeker niet uit Taiwan of Sjanghai, waar de kleurige fleurige Japanse en westerse mode zegeviert, maar vermoedelijk uit een klein provinciaals miljoenenstadje waar ik nog nooit van gehoord heb.

De drie Chinese jongedames blijven stilstaan om een foto te nemen. Het is me niet helemaal duidelijk of ze een foto van mij nemen of van de bibliotheek, in elk geval sta ik er op. Ik glimlach en steek mijn hand op, zij glimlachen terug en knikken vriendelijk, alle drie tegelijk, alsof ze het zo geoefend hebben.

Chinezen zijn niet populair bij de andere studenten. Dat komt door hun gebrekkige Engels en slechte vooropleiding, wordt meestal gezegd. De werkelijke motieven zijn denk ik banaler. Een Spaanse studente zei het laatst recht uit haar hart: ‘Het zijn makke kuddedieren die Chinezen.’ Zij ziet zichzelf meer als een wulpse tijgerpoes die de hele wereld afstruint naar mannenvlees, een solitaire jager. Ik mag haar wel, ze kent zichzelf, weet dat haar motieven en gedachtes vaak niet zuiver op de graat zijn.

Chinezen mag ik ook graag. Het is niet zo makkelijk om met ze in contact te komen, tenzij je heel goed bent in pingpong of badminton. Toch lukt het me soms om een gesprek aan te knopen, meestal in de bibliotheek. Een student uit Zhengzou adviseerde me eens om het artikel ‘Beyond Enlightment Mentality’ van Tu Weiming te lezen. Een prachtige neoconfuciaanse kritiek op ons individualistische denken, waarin een grote nadruk wordt gelegd op het belang van ecologie en harmonie.

Ik moest aan dit artikel denken toen de Chinese studentes hun foto maakten omdat Johann Friedrich Herbart, de pedagoog over wie ik aan het lezen was, ook wijst op het belang van harmonie in de kennis en het daaruit voortvloeiende wereldbeeld van het opgroeiende kind.

Herbart was een verlichtingsdenker en wilde dat mensen autonoom konden denken en handelen, als vrije burgers. Maar de weg daar naartoe vraagt volgens hem een hoge mate van formaliteit, gelijkvormigheid. Het kind moet opgroeien in een wereld die in balans is. Dat hoeft geen statische balans te zijn, zoals de Christenen zich dat nog graag voorstelden, het kan ook een dynamische balans zijn, zoals een goed functionerend ecologisch systeem. Je kennis over muziek heeft daarin samenhang met je kennis over de voorplanting van loofbomen. Alleen als we het kind een harmonieus wereldbeeld mee kunnen geven zal het later in staat zijn om een gelukkig, nuttig en daarmee deugdelijk leven te leiden omdat het zich verbonden voelt met de wereld. En vooral ook omdat het allemaal een beetje lijkt te kloppen in zijn hoofd. Het is de taak van de opvoeders om voor die eenheid in de wereld van het kind te zorgen, ook al weten we dat ze later zullen ontdekken dat de harmonie van de wereld heel wat dynamischer en minder begrijpelijk is dan ze aanvankelijk mochten denken.

Herbart zegt niet dat we het kind moeten overbeschermen, hij zegt dat we het kind zijn serieus moeten nemen, dat we het mens zijn serieus moeten nemen. De mens moet de kans krijgen om zijn gemeenschap te leren kennen voor hij zich daar als individu binnen kan bewegen of buiten kan plaatsen.

Terwijl ik dit alles in de bibliotheek zit te overdenken komt er een optocht van hoogleraren van de universiteit langs. Tot op de paraplu uniform gekleed in toga. Het is een eindeloze stoet die aan me voorbij trekt. Het doet me denken aan de kardinalen die bijeen waren op het conclaaf waar ze Franciscus tot Paus kozen. Ook allemaal in dezelfde kleding, in dezelfde pas, met dezelfde uitdrukking op het gezicht.

Het merendeel van deze hoogleraren is ongetwijfeld weldenkende autonome burgers. Toch hechten ze er belang aan om zich aan de wereld te tonen als eenheid, de heren en dames hoogleraren. Ik vind het een geruststellend beeld waar veel gezag van uitgaat. Deze mensen kun je een belangrijk maatschappelijk instituut als een universiteit toevertrouwen. Ook de Chinese studenten staan er naar te kijken en volgens mij zijn ze dezelfde mening als ik toegedaan.

Terwijl de parade nog in volle gang is hoor ik iemand achter mij jolig roepen: ‘Kijk de pinguïns zijn uit het Ouwehands ontsnapt!’ Ik erger mij natuurlijk aan zo’n opmerking, omdat het slechte humor is, maar vooral ook omdat het zo platvloers is om op alles wat door enige zweem van verhevenheid omgeven is met een boers grapje te reageren.

Herbarts oproep tot meer harmonie in het onderwijs en de opvoeding is juist in deze dagen van het grootste belang. Het onderwijs is weer helemaal terug bij het individu, naar de individuele leerweg, de differentiatie, kortom doe je eigen ding.

Je eigen ding doen kun je pas wanneer je weet wie je bent. Om te weten wie je bent moet je de wereld kennen waarin je leeft, de taal, de instituten, de wetten, omgangsvormen. We presenteren die wereld nu aan onze kinderen als een chaotische geheel waarvan we niets met zekerheid kunnen zeggen, waarin de economie de grootste god is en waarin je vooral je eigen weg moet zoeken. Met als gevolg dat we dit ook nog echt gaan geloven.

De wereld kan soms erg chaotisch lijken, dat is waar en we weten niets meer over de wereld dan dat wat we met ons gevoel en verstand uit onze zintuiglijke en instrumentele waarnemingen opmaken. Toch is er balans in de wereld. Een complexe, dynamische harmonie.

Ga maar eens in de bibliotheek zitten en kijk naar de mensen op straat. We doen allemaal ons best om onze eigen weg te gaan, om onze eigen identiteit te benadrukken, alsof we onze vrijheid kunnen bewijzen door ons te onderscheiden van de rest. De felle sportschoenen of de dreadlocks, de stoere gangsterblik of de hippieglimlach, juist het onderscheid bindt ons.

Wij zijn kuddedieren, zoals elk ander mens dat is. Een kudde van individuen is namelijk ook een kudde. Een chaotische, drukke en hectische kudde, maar niettemin een kudde. En we vertonen volop kuddegedrag. Misschien wordt het tijd om onze angst voor de gemeenschap te overwinnen.

Creativiteit, innovatie en kritisch denken zijn wel degelijk mogelijk binnen een harmonieuze samenleving. Laten we onze kinderen dus niet langer opjutten om zich tot dogmatische liberalen te ontplooien. Laten we ze stimuleren om liberale burgers te worden binnen een betekenisvolle gemeenschap.

We moeten de kinderen eerst op de gebaande wegen van hun voorouders laten lopen. Leer ze dan om zich af te vragen waar die weg naartoe leidt, wat het doel is. En leer ze uiteindelijk, als ze daar aan toe zijn, om zich af te vragen of dit wel de weg is die ze willen blijven volgen.

Tussen Moeten en Willen

Er zijn mensen die graag iets Moeten. Sommigen gaan daar erg ver in. Ze verwarren Moeten met Willen. Dat is een manier van denken die wij ontmaskerd hebben als zeer gevaarlijk voor onze beschaving. Wie teveel zoekt naar het grote Moeten zal nooit inzien dat hij vooral zelf vorm aan het leven Moet geven.

Het idee dat wij vooral veel Moeten wordt door onze samenleving niet meer gewaardeerd. In plaats daarvan zijn wij gaan Willen. Moeten is, als tegengestelde van Willen, een vies woord geworden. Dat is zeer spijtig. Want als je echt wat Wilt maken van het leven zal je daarvoor toch een hoop Moeten doen.

Het Willen is mij met de paplepel ingegoten. De jaren ’50,  ’60 en ’70 hadden net hun Beat Love ’n Punk verhaaltjes verteld toen ik geboren werd. In de wereld waarin ik opgroeide stemde iedereen GroenLinks, dacht iedereen voor zichzelf en niemand geloofde meer in het Oude Systeem. Niks moest, alles kon, een Nieuwe Tijd lag in het vooruitzicht.

Die Nieuwe Tijd zou niet langer zijn wortels hebben in de verrotte, autoritaire beschaving die ons in de ellende had gestort. Ze zou voortkomen uit de diepst gevoelde intenties van onze ziel. Vanuit de reinste kern zouden wij tot Nieuwe Idealen komen. De Wil tot het Goede zou regeren. Bovendien zijn mensen die veel Willen meestal zeer brave consumenten. Wij hebben wat u Wilt! Maar dat staat hier natuurlijk volkomen los van.

Zo werd onze Wil het hoogste goed. Het Willen werd het nieuwe Moeten. Dat wat jij werkelijk Wilt, dat is het goede. Laat de Wil zijn gang maar gaan. De vrije markt was doorgedrongen tot de moraal. En we bleven maar GroenLinks stemmen.

Deze cult van de Wil stond centraal in de tijd dat ik opgroeide. Ten gevolge daarvan Wilden wij nogal wat toen we jong waren – nog niet zo lang geleden in mijn geval. We werden daar van alle kanten in gesteund. De commercie, de politiek, en tenslotte zelfs onze school stimuleerden ons tot Willen. Ik heb het nu over het Nieuwe Leren, waarin het onderwijs aan probeert te sluiten op de Wil van de leerling. Waar nodig zal het onderwijs die Wil op laten bloeien en bij snoeien.

Die verheerlijking van de Wil bestaat nog steeds. Sterker nog, de overheid heeft Het Nieuwe Leren verplicht gesteld. De naam is veelal verdwenen maar de kwaal woekert onveranderd voort. Volwassen onderwijzers worden verplicht om tegen hun overtuiging in hun leerlingen tot Nieuwe Mensen van de Nieuwe tijd te maken. Leerlingen moeten zich vanuit intrinsieke motivatie ontwikkelen, gebruik makend van hun eigen soort intelligentie en bijpassende leerstijl. Doe je Ding dus. Volg je Wil. Dat is een pijnlijke misvatting van de taak van het onderwijs. Kinderen, jongeren en studenten worden hierdoor niet voorbereid op een werkelijk en volwaardig volwassen leven.

Nu ik zelf onderwijzer Wil worden besef ik me dat daar meer bij komt te kijken dan een grote Wil. Je moet vooral realistisch zijn. Alleen in de realiteit kun je veel bereiken. En om met die realiteit uit de voeten te kunnen Moet je flink wat in huis hebben. Dat bereik je niet door het heel erg te Willen. Je Moet er echt wat voor doen, of je nu Wilt of niet.

Dat je er wat voor Moet doen om iets te bereiken is geen bijzondere constatering. Iedereen die het gelukt is om volwassen te worden weet dat dit zo is. Om die reden lijkt het mij dan ook niet onrechtvaardig om deze boodschap vanaf nu weer aan de volgende generatie door te geven. Pas als je een realistisch inzicht hebt in wat je Moet doen om je Wil te bereiken kun je volwassen worden. Je Moet het Moeten leren accepteren voordat je volwaardig deel kan nemen aan het leven. Alleen dan kun je doelen bereiken. Accepteer je het niet, blijf je verongelijkt steken in een onmogelijk Willen.

Ik ga de kinderen waar ik les aan ga geven gewoon verklappen dat je soms tegen je zin in hard moet werken om iets te bereiken. Dat ze daar aan Moeten wennen. Ik ben ervan overtuigd dat ik ze daar een groot plezier mee ga doen. Want ik geloof dat elk kind volwassen Wil worden. Daar hebben ze groot gelijk in. Het leven is heel mooi, vooral als je er wat mee kan.

Nietzsche en het kerstverhaal

Het was de schooldag voor het kerstdiner. De kleuters vouwden nog snel even hun laatste kerstengel in elkaar. De kerstboom stond mooi te stralen in een bonte zee van kleuren die op wonderbaarlijke wijze allemaal met elkaar leken te vloeken. Zo hoort dat bij een kerstboom. Een kerststal hadden we ook. Daar speelden de kinderen dankbaar boerderijtje en vadertje en moedertje mee. Over Jezus heb ik ze de afgelopen weken niet gehoord, op één meisje na die enthousiast bij elke afbeelding van ‘t Kinneke begon te roepen: ‘Kijk alweer een Jezus.’ Een beetje alsof ze een paasei had gevonden.

We zitten op een openbare school in een multiculturele wijk in een multicultureel stadje, veel Christenen hebben we niet op school. Bij mij in de klas zit er maar eentje. De Poolse jongen tel ik niet mee. Hij vertelde weliswaar dat ze thuis de kerstboom versierd hadden met  ´De heilige Barbara, Sint Antonius, Sint Carolus, de heilige Anna´ en ga zo maar voort, maar toen ik aan de klas vroeg wie er wel eens naar de kerk gaat zei hij: ‘Alleen in Polen en alleen omdat oma anders gaat bidden en huilen.’

Er zit dus maar een meisje in de klas dat wel elke week naar de kerk gaat. Toen ik haar vroeg wat ze dan deden in de kerk moest ze hard nadenken en zei: ‘Dan moet ik heel lang mijn plas ophouden.’ Over mijn vraag of ze ook nog iets anders doen in de kerk moest ze weer flink nadenken en zei toen: ‘Meester mag ik naar de wc.?’ Natuurlijk mag dat, dit is immers een openbare school.

Zo leek ik de kerstdagen toch goed door te komen. Het is namelijk zo dat ik er nogal tegen opzag. De afgelopen jaren heb ik zelf behoorlijk zitten worstelen met het Christelijke geloof. Het probleem is dat ik heel goede ervaringen heb met het geloof. Daarom vind ik het heel moeilijk om te geloven dat het toch niet waar is.
Toen ik een paar maanden geleden begon te lezen in een boek over Friedrich Nietzsche laaide de innerlijke worsteling weer in alle hevigheid op en ontstond er epische tweestrijd in mijn hoofd.
In de ene hoek stond een kleine Duitse filosoof met een enorme snor te briesen en te tieren, hij kraamde de meest verlichte en redelijk argumenten uit, stampte met zijn voeten op de grond, riep dat we het dan maar zelf moesten weten. Ik meende in zijn ogen een diep medeleven te bespeuren met ons lot, maar dat zou hij zelf zeker ontkend hebben.
In de andere hoek stond Jezus, verkleed als beste vriend, met een stralende halo om zijn hoofd en zijn vingers in zijn oren. Op zachte, zalvende toon zei hij: ‘Ik luister lekker toch niet, ik luister lekker toch niet.’

Zo’n strijd levert nogal wat existentiële paniekmomenten op. Natuurlijk kies ik er zelf voor om moeilijke boeken te lezen en mezelf moeilijke vragen te stellen. Met die onzekerheden kan ik gelukkig redelijk omgaan. Dat wil zeggen, je went eraan. Ik zou het echter niet aan iedereen willen aanraden. Zeker niet aan de kleuters in mijn klas. Daarom had ik het hele kerstverhaal maar zoveel mogelijk vermeden en het vooral gehad over het feest van de lichtjes, over de kortste dag en langste nacht en over Rudolf het rendier.

Helaas gooide de onderwijsmethode waarmee wij werken toch nog roet in het eten. Ik ontkwam er niet aan. De laatste dag voor het kerstdiner moest het kerstverhaal toch verteld worden. Wel in een brave ontheiligde versie, maar toch. Ik sprak mezelf moed in met de argumentatie dat het een belangrijke culturele erfenis is, dat de kinderen  het toch moeten kennen, dat het bovendien een mooi verhaal is.

Ik deed de lampen uit, projecteerde een haardvuur op het smartboard en begon te vertellen. Alle kleuters vonden het een fantastisch verhaal, ze zaten ademloos te luisteren. Op onze kerkkleuter na, die liep de hele tijd op en neer naar de wc.

Toen het verhaal was afgelopen gingen de kleuters vrolijk en geïnspireerd spelen. Ze speelden nu geen boerderijtje meer bij de kerststal. Ze speelden Jezof en Marietje; de namen waren nog niet helemaal blijven hangen. Maar de boodschap was overgekomen.

Het Schildert

1939

Een rondje met een lach en twee oogjes, een streepje en vier harkjes, geplaatst op een groene grondlijn, onder een vrolijke zon die als een platte schijf in de lucht hangt. Een kindertekening. De eerste pogingen om een representatie van de wereld te geven.

Er wordt door de 2d-didactici wel eens met argwaan over zulke afbeeldingen gesproken. Ze zouden het kind alleen voorbereiden op een tekencarrière vol van clichés. Dat is inderdaad een gevaar. De eerst nog oorspronkelijke tekeningen verworden dan al snel tot stereotiepe prinsesjes, hondjes, en vechtmannetjes. Net zoals de juf ze op het raam tekent. Net zoals de kleurplaten die de kinderen maken. En helaas worden kinderen vaak massaal gecomplimenteerd met deze zo zielloze massakrabbels. Want het ziet er zo knap uit.

Natuurlijk willen de 2d-didactici niet de figuratieve kunst verwerpen. Wie gezien heeft hoe onze voorouders leeuwen en paarden konden schilderen in de grotten van Lascaux laat dat wel uit zijn hoofd . Nee, de boodschap is veeleer: kunst kan zoveel meer zijn dan een figuurlijke afbeelding van iets wat we mooi, leuk, ontroerend of stoer vinden.

Als we die conclusie eenmaal hebben getrokken en we gaan verder denken over wat kunst kan en is, dan komen we al snel bij de emotionele, expressieve en communicatie kwaliteit van kunst. Een kunstwerk kan ook een emotie, een idee of een concept verbeelden.  Dit is zonder twijfel waar. Het is van het grootste belang dat kinderen zich hier bewust van worden en de kans krijgen om er ervaring mee op te doen. Maar ook over deze vorm van kunst wil ik het niet hebben.

Er is nog een derde manier van kunst maken en beleven. Een kunstvorm die niet direct naar iets verwijst en die geen bewuste boodschap met zich meedraagt: de abstracte kunst. Het is mij opgevallen dat er ontzettend weinig aandacht aan deze kunstvorm wordt bestaat door de juffen en meesters voor de klas. Goede methodes bieden er volop oefening in, maar die lesjes worden meestal overgeslagen. Ik vermoed dat de juffen en meesters het eindresultaat niet boeiend genoeg vinden.

Kinderen die niet vanaf het prilste begin in aanraking blijven met de abstracte kunst zullen deze negatieve houding overnemen. Ze maken liever een bont plakwerkje vol glitters dan een gestileerde beeld op het platte vlak.
Toch ben ik er van overtuigd dat kinderen van nature uitermate geboeid zijn door abstracte kunst. Ik zal een voorbeeld uit de praktijk geven. In de multiculturele kleuterklas waar ik op het moment stage loop waren twee kinderen op het krijtbord aan het tekenen. Ze zijn allebei op zo’n tienduizend kilometer afstand van Nederland geboren, en ook op ongeveer diezelfde afstand van elkaar. Nu stonden ze naast elkaar te tekenen. Toen ik erbij kwam zag ik meteen dat ze allebei schrijftekeningen aan het maken waren. Dat zijn krabbels die op letters en woorden lijken. In dit geval leken ze niet op onze letters en woorden. Zij tekende opvallende afwisselingen van rechte en kromme lijnen, hij tekende iets wat duidelijk op karakters leek.
Ik besloot om met ze mee te doen. Eerst mocht zij een paar lijnen trekken. Daar maakte ik dan weer een paar lijnen aan vast. En dan was hij aan de beurt. Zo tekende we het hele bord vol. Allemaal lijnen en golfjes die zonder bewuste logica door elkaar heen liepen. Prachtig om te zien, vonden we alle drie. En ook de andere kleuters kwamen vol bewondering naar ons kunstwerk kijken.
Daarna bedacht ik een ander spel. Ik tekende een raster op het bord. Daar zijn kinderen altijd dol op. Gewoon een groot boter-kaas-en-eieren veld. In dat veld zette ik een kruisje en daarna een rondje. Het tekende ook een rondje. Zij een driehoekje. Ik een ruit. Hij een vlieger. Zij een spiraal. Ik een haak. Hij een zigzag. Zij een stip. En zo gingen we door, tot het hele veld vol was. Daarna veegden we het uit, tekende hij of zij een nieuw raster en begonnen opnieuw.
Dit spel vonden de andere kleuters zo leuk dat ze het na gingen doen. Achttien kleuters, uit twaalf verschillende landen, allemaal gefascineerd door de zelfde vormen en tekens.

Wat fascineerde de kleuters nu zo aan deze manier van tekenen? Wat fascineert mij nu zo aan een werk van Mondriaan? Ik durf daar geen antwoord op te geven. Er zijn filosofen, antropologen en kunstenaars die daar veel meer over weten.
Voor mij, als schoolmeester, werkzaam in de praktijk, is vooral de constatering dat het ze fascineert van belang. Ze willen abstraheren. Ze kunnen bevlogen raken door de onbewuste, misschien wel metafysische schoonheid van abstracte kunst.  Het is aan mij om er voor te zorgen dat ze dat nooit verleren.

De vertelkleuter

Wie met kinderen werkt kent hem: de vertelkleuter. Het is de kleuter die steeds weer komt vertellen dat iemand anders iets fout doet. Iemand in de groep doet iets dat tegen de regels is. Of iets dat niet gebruikelijk is. De vertelkleuter komt dit altijd melden. Als je geluk hebt komt de vertelkleuter naar je toe, trekt aan je broek en zegt braaf: ‘Meester?’ Als je minder geluk hebt brult de vertelkleuter het door de klas heen, vooraf gegaan door een gealarmeerd: ‘Oooooo!’

Kleuters komen vaak naar de meester of juf toe. Er is vaak wat. Ze storen zich om van alles en nog wat aan elkaar: ‘zij duwde mij, hij heeft mijn potlood gepakt, ik had dat emmertje eerst’. Dat is normaal, het zijn immers kleuters. Ze zijn druk aan het leren hoe je met elkaar moet omgaan. Zolang ze hun best blijven doen kun je ze niet kwalijk nemen dat het nog niet altijd lukt.

De vertelkleuter is een gradatie erger. De vertelkleuter komt namelijk alles vertellen wat hij ziet, ook als hij er zelf geen last van heeft. Als de regels worden overtreden komt de vertelkleuter in actie: ‘Meester, kijk eens, zij zit in de stempelhoek te puzzelen.’
Opvallend genoeg komt de vertelkleuter ook al wanneer iets niet tegen de regels maar wel ongebruikelijk is: ‘Meester, we gaan altijd eerst zingen en dan pas pakken we het fruit uit onze tas hoor.’

De vertelkleuter wil dat iedereen zich aan de regels houdt. Hij wil dat de dingen gaan zoals ze gaan. Als je een verandering wilt doorvoeren, bijvoorbeeld door eens eerst het fruit te laten pakken en daarna pas zingen, dan vindt de vertelkleuter dat je de plicht hebt dit te van te voren met de groep te bespreken.

Ik ben geneigd om de vertelkleuter te veroordelen als een matennaaier. ‘Bemoei je met jezelf’, zeg ik tegen hem. Zo los ik dat op. Maar ik moet de vertelkleuter nog ontmoeten die zich door die vermaning laat overtuigen. De vertelkleuter voelt zich verongelijkt. Je ziet dat hij zich zorgen maakt: ‘Dat kan toch zo niet, zo kunnen we toch niet met elkaar omgaan’, is de zin die hij nog niet voor zichzelf formuleren kan.

Bemoei je met jezelf. Leef je eigen leven. Doe je eigen ding. Dat zijn de mantra’s van onze tijd. Misschien zijn het niet onze idealen, het zijn wel de leefregels waar we van doordrongen zijn, bewust of onbewust. Ik ook. De eerste emotie die bij me opkomt als de vertelkleuter weer naar me toekomt is ergernis.

Als ik denk aan de utopie van de vertelkleuter, dan zie ik een wereld voor me vol met bisschoppen, imams en volksmenners. Een wereld met mensen die prat gaan op hun regeltjes. Die het geweld niet schuwen om die regels gehandhaafd te zien. De vertelkleuter komt zijn medemens verlinken en krijgt in ruil daarvoor een kruisje, een kus of een speldje. De vertelkleuter wil niet vrij zijn, heeft een hekel aan creativiteit, wil alleen maar dat de orde gehandhaafd blijft. Zo klinken mijn vooroordelen.

Mijn houding ten opzichte van de vertelkleuter is niet eerlijk. Ik vind hem zwak omdat hij wil dat iedereen zich aan de regels houdt. Wat zegt dat over mij? Wat wil ik dan? Dat elke kleuter er maar op los leeft? Dat ze de regels bewust overtreden om daar zelf profijt van te hebben? Wil ik een klas vol überkleuters die gedreven door hun wil tot macht mijn autoriteit bagatelliseren?

De vertelkleuter heeft misschien wel heel erg mooie en creatieve ideeën.  Misschien is hij wel een echte vrijheidsstrijder in de dop. Maar voor dat hij dat kan tonen wil hij dat het rustig is. Dat hij zijn klasgenootjes en meester kan vertrouwen. Regels zijn daarbij een onvermijdelijk instrument.

Ik denk dat ik nog veel van de vertelkleuter kan leren.