Opvoeden in harmonie

Laatst zat ik in de bibliotheek van Wageningen een prachtig boek over pedagogiek te lezen. Het ging over Johann Friedrich Herbart, een pedagoog en filosoof die we nadrukkelijk niet meer hoeven te bestuderen op de lerarenopleiding.

Wanneer ik in een stad ben, is de bibliotheek altijd mijn favoriete hangplek. Ten minste, als het er een is met een groot raam dat uitkijkt over een drukke winkelstraat. Zo kan ik mooi mijn aandacht verdelen tussen mijn boek en de schijnbaar veelvormige mensenmassa die aan me voorbij trekt.

Wageningen is een klein stadje met een grote universiteit. Daardoor zie je hier mensen uit de hele wereld, waaronder duizenden Chinezen. Drie van hen liepen langs het raam van de bibliotheek waar ik zat te lezen. Het waren vrouwen en ze hadden min of meer dezelfde schoenen, jas, rugzak en haarstijl. Smaakvol, maar vooral ook eenvoudig en praktisch. Ze komen dus zeker niet uit Taiwan of Sjanghai, waar de kleurige fleurige Japanse en westerse mode zegeviert, maar vermoedelijk uit een klein provinciaals miljoenenstadje waar ik nog nooit van gehoord heb.

De drie Chinese jongedames blijven stilstaan om een foto te nemen. Het is me niet helemaal duidelijk of ze een foto van mij nemen of van de bibliotheek, in elk geval sta ik er op. Ik glimlach en steek mijn hand op, zij glimlachen terug en knikken vriendelijk, alle drie tegelijk, alsof ze het zo geoefend hebben.

Chinezen zijn niet populair bij de andere studenten. Dat komt door hun gebrekkige Engels en slechte vooropleiding, wordt meestal gezegd. De werkelijke motieven zijn denk ik banaler. Een Spaanse studente zei het laatst recht uit haar hart: ‘Het zijn makke kuddedieren die Chinezen.’ Zij ziet zichzelf meer als een wulpse tijgerpoes die de hele wereld afstruint naar mannenvlees, een solitaire jager. Ik mag haar wel, ze kent zichzelf, weet dat haar motieven en gedachtes vaak niet zuiver op de graat zijn.

Chinezen mag ik ook graag. Het is niet zo makkelijk om met ze in contact te komen, tenzij je heel goed bent in pingpong of badminton. Toch lukt het me soms om een gesprek aan te knopen, meestal in de bibliotheek. Een student uit Zhengzou adviseerde me eens om het artikel ‘Beyond Enlightment Mentality’ van Tu Weiming te lezen. Een prachtige neoconfuciaanse kritiek op ons individualistische denken, waarin een grote nadruk wordt gelegd op het belang van ecologie en harmonie.

Ik moest aan dit artikel denken toen de Chinese studentes hun foto maakten omdat Johann Friedrich Herbart, de pedagoog over wie ik aan het lezen was, ook wijst op het belang van harmonie in de kennis en het daaruit voortvloeiende wereldbeeld van het opgroeiende kind.

Herbart was een verlichtingsdenker en wilde dat mensen autonoom konden denken en handelen, als vrije burgers. Maar de weg daar naartoe vraagt volgens hem een hoge mate van formaliteit, gelijkvormigheid. Het kind moet opgroeien in een wereld die in balans is. Dat hoeft geen statische balans te zijn, zoals de Christenen zich dat nog graag voorstelden, het kan ook een dynamische balans zijn, zoals een goed functionerend ecologisch systeem. Je kennis over muziek heeft daarin samenhang met je kennis over de voorplanting van loofbomen. Alleen als we het kind een harmonieus wereldbeeld mee kunnen geven zal het later in staat zijn om een gelukkig, nuttig en daarmee deugdelijk leven te leiden omdat het zich verbonden voelt met de wereld. En vooral ook omdat het allemaal een beetje lijkt te kloppen in zijn hoofd. Het is de taak van de opvoeders om voor die eenheid in de wereld van het kind te zorgen, ook al weten we dat ze later zullen ontdekken dat de harmonie van de wereld heel wat dynamischer en minder begrijpelijk is dan ze aanvankelijk mochten denken.

Herbart zegt niet dat we het kind moeten overbeschermen, hij zegt dat we het kind zijn serieus moeten nemen, dat we het mens zijn serieus moeten nemen. De mens moet de kans krijgen om zijn gemeenschap te leren kennen voor hij zich daar als individu binnen kan bewegen of buiten kan plaatsen.

Terwijl ik dit alles in de bibliotheek zit te overdenken komt er een optocht van hoogleraren van de universiteit langs. Tot op de paraplu uniform gekleed in toga. Het is een eindeloze stoet die aan me voorbij trekt. Het doet me denken aan de kardinalen die bijeen waren op het conclaaf waar ze Franciscus tot Paus kozen. Ook allemaal in dezelfde kleding, in dezelfde pas, met dezelfde uitdrukking op het gezicht.

Het merendeel van deze hoogleraren is ongetwijfeld weldenkende autonome burgers. Toch hechten ze er belang aan om zich aan de wereld te tonen als eenheid, de heren en dames hoogleraren. Ik vind het een geruststellend beeld waar veel gezag van uitgaat. Deze mensen kun je een belangrijk maatschappelijk instituut als een universiteit toevertrouwen. Ook de Chinese studenten staan er naar te kijken en volgens mij zijn ze dezelfde mening als ik toegedaan.

Terwijl de parade nog in volle gang is hoor ik iemand achter mij jolig roepen: ‘Kijk de pinguïns zijn uit het Ouwehands ontsnapt!’ Ik erger mij natuurlijk aan zo’n opmerking, omdat het slechte humor is, maar vooral ook omdat het zo platvloers is om op alles wat door enige zweem van verhevenheid omgeven is met een boers grapje te reageren.

Herbarts oproep tot meer harmonie in het onderwijs en de opvoeding is juist in deze dagen van het grootste belang. Het onderwijs is weer helemaal terug bij het individu, naar de individuele leerweg, de differentiatie, kortom doe je eigen ding.

Je eigen ding doen kun je pas wanneer je weet wie je bent. Om te weten wie je bent moet je de wereld kennen waarin je leeft, de taal, de instituten, de wetten, omgangsvormen. We presenteren die wereld nu aan onze kinderen als een chaotische geheel waarvan we niets met zekerheid kunnen zeggen, waarin de economie de grootste god is en waarin je vooral je eigen weg moet zoeken. Met als gevolg dat we dit ook nog echt gaan geloven.

De wereld kan soms erg chaotisch lijken, dat is waar en we weten niets meer over de wereld dan dat wat we met ons gevoel en verstand uit onze zintuiglijke en instrumentele waarnemingen opmaken. Toch is er balans in de wereld. Een complexe, dynamische harmonie.

Ga maar eens in de bibliotheek zitten en kijk naar de mensen op straat. We doen allemaal ons best om onze eigen weg te gaan, om onze eigen identiteit te benadrukken, alsof we onze vrijheid kunnen bewijzen door ons te onderscheiden van de rest. De felle sportschoenen of de dreadlocks, de stoere gangsterblik of de hippieglimlach, juist het onderscheid bindt ons.

Wij zijn kuddedieren, zoals elk ander mens dat is. Een kudde van individuen is namelijk ook een kudde. Een chaotische, drukke en hectische kudde, maar niettemin een kudde. En we vertonen volop kuddegedrag. Misschien wordt het tijd om onze angst voor de gemeenschap te overwinnen.

Creativiteit, innovatie en kritisch denken zijn wel degelijk mogelijk binnen een harmonieuze samenleving. Laten we onze kinderen dus niet langer opjutten om zich tot dogmatische liberalen te ontplooien. Laten we ze stimuleren om liberale burgers te worden binnen een betekenisvolle gemeenschap.

We moeten de kinderen eerst op de gebaande wegen van hun voorouders laten lopen. Leer ze dan om zich af te vragen waar die weg naartoe leidt, wat het doel is. En leer ze uiteindelijk, als ze daar aan toe zijn, om zich af te vragen of dit wel de weg is die ze willen blijven volgen.

Tussen Moeten en Willen

Er zijn mensen die graag iets Moeten. Sommigen gaan daar erg ver in. Ze verwarren Moeten met Willen. Dat is een manier van denken die wij ontmaskerd hebben als zeer gevaarlijk voor onze beschaving. Wie teveel zoekt naar het grote Moeten zal nooit inzien dat hij vooral zelf vorm aan het leven Moet geven.

Het idee dat wij vooral veel Moeten wordt door onze samenleving niet meer gewaardeerd. In plaats daarvan zijn wij gaan Willen. Moeten is, als tegengestelde van Willen, een vies woord geworden. Dat is zeer spijtig. Want als je echt wat Wilt maken van het leven zal je daarvoor toch een hoop Moeten doen.

Het Willen is mij met de paplepel ingegoten. De jaren ’50,  ’60 en ’70 hadden net hun Beat Love ’n Punk verhaaltjes verteld toen ik geboren werd. In de wereld waarin ik opgroeide stemde iedereen GroenLinks, dacht iedereen voor zichzelf en niemand geloofde meer in het Oude Systeem. Niks moest, alles kon, een Nieuwe Tijd lag in het vooruitzicht.

Die Nieuwe Tijd zou niet langer zijn wortels hebben in de verrotte, autoritaire beschaving die ons in de ellende had gestort. Ze zou voortkomen uit de diepst gevoelde intenties van onze ziel. Vanuit de reinste kern zouden wij tot Nieuwe Idealen komen. De Wil tot het Goede zou regeren. Bovendien zijn mensen die veel Willen meestal zeer brave consumenten. Wij hebben wat u Wilt! Maar dat staat hier natuurlijk volkomen los van.

Zo werd onze Wil het hoogste goed. Het Willen werd het nieuwe Moeten. Dat wat jij werkelijk Wilt, dat is het goede. Laat de Wil zijn gang maar gaan. De vrije markt was doorgedrongen tot de moraal. En we bleven maar GroenLinks stemmen.

Deze cult van de Wil stond centraal in de tijd dat ik opgroeide. Ten gevolge daarvan Wilden wij nogal wat toen we jong waren – nog niet zo lang geleden in mijn geval. We werden daar van alle kanten in gesteund. De commercie, de politiek, en tenslotte zelfs onze school stimuleerden ons tot Willen. Ik heb het nu over het Nieuwe Leren, waarin het onderwijs aan probeert te sluiten op de Wil van de leerling. Waar nodig zal het onderwijs die Wil op laten bloeien en bij snoeien.

Die verheerlijking van de Wil bestaat nog steeds. Sterker nog, de overheid heeft Het Nieuwe Leren verplicht gesteld. De naam is veelal verdwenen maar de kwaal woekert onveranderd voort. Volwassen onderwijzers worden verplicht om tegen hun overtuiging in hun leerlingen tot Nieuwe Mensen van de Nieuwe tijd te maken. Leerlingen moeten zich vanuit intrinsieke motivatie ontwikkelen, gebruik makend van hun eigen soort intelligentie en bijpassende leerstijl. Doe je Ding dus. Volg je Wil. Dat is een pijnlijke misvatting van de taak van het onderwijs. Kinderen, jongeren en studenten worden hierdoor niet voorbereid op een werkelijk en volwaardig volwassen leven.

Nu ik zelf onderwijzer Wil worden besef ik me dat daar meer bij komt te kijken dan een grote Wil. Je moet vooral realistisch zijn. Alleen in de realiteit kun je veel bereiken. En om met die realiteit uit de voeten te kunnen Moet je flink wat in huis hebben. Dat bereik je niet door het heel erg te Willen. Je Moet er echt wat voor doen, of je nu Wilt of niet.

Dat je er wat voor Moet doen om iets te bereiken is geen bijzondere constatering. Iedereen die het gelukt is om volwassen te worden weet dat dit zo is. Om die reden lijkt het mij dan ook niet onrechtvaardig om deze boodschap vanaf nu weer aan de volgende generatie door te geven. Pas als je een realistisch inzicht hebt in wat je Moet doen om je Wil te bereiken kun je volwassen worden. Je Moet het Moeten leren accepteren voordat je volwaardig deel kan nemen aan het leven. Alleen dan kun je doelen bereiken. Accepteer je het niet, blijf je verongelijkt steken in een onmogelijk Willen.

Ik ga de kinderen waar ik les aan ga geven gewoon verklappen dat je soms tegen je zin in hard moet werken om iets te bereiken. Dat ze daar aan Moeten wennen. Ik ben ervan overtuigd dat ik ze daar een groot plezier mee ga doen. Want ik geloof dat elk kind volwassen Wil worden. Daar hebben ze groot gelijk in. Het leven is heel mooi, vooral als je er wat mee kan.