Nietzsche en het kerstverhaal

Het was de schooldag voor het kerstdiner. De kleuters vouwden nog snel even hun laatste kerstengel in elkaar. De kerstboom stond mooi te stralen in een bonte zee van kleuren die op wonderbaarlijke wijze allemaal met elkaar leken te vloeken. Zo hoort dat bij een kerstboom. Een kerststal hadden we ook. Daar speelden de kinderen dankbaar boerderijtje en vadertje en moedertje mee. Over Jezus heb ik ze de afgelopen weken niet gehoord, op één meisje na die enthousiast bij elke afbeelding van ‘t Kinneke begon te roepen: ‘Kijk alweer een Jezus.’ Een beetje alsof ze een paasei had gevonden.

We zitten op een openbare school in een multiculturele wijk in een multicultureel stadje, veel Christenen hebben we niet op school. Bij mij in de klas zit er maar eentje. De Poolse jongen tel ik niet mee. Hij vertelde weliswaar dat ze thuis de kerstboom versierd hadden met  ´De heilige Barbara, Sint Antonius, Sint Carolus, de heilige Anna´ en ga zo maar voort, maar toen ik aan de klas vroeg wie er wel eens naar de kerk gaat zei hij: ‘Alleen in Polen en alleen omdat oma anders gaat bidden en huilen.’

Er zit dus maar een meisje in de klas dat wel elke week naar de kerk gaat. Toen ik haar vroeg wat ze dan deden in de kerk moest ze hard nadenken en zei: ‘Dan moet ik heel lang mijn plas ophouden.’ Over mijn vraag of ze ook nog iets anders doen in de kerk moest ze weer flink nadenken en zei toen: ‘Meester mag ik naar de wc.?’ Natuurlijk mag dat, dit is immers een openbare school.

Zo leek ik de kerstdagen toch goed door te komen. Het is namelijk zo dat ik er nogal tegen opzag. De afgelopen jaren heb ik zelf behoorlijk zitten worstelen met het Christelijke geloof. Het probleem is dat ik heel goede ervaringen heb met het geloof. Daarom vind ik het heel moeilijk om te geloven dat het toch niet waar is.
Toen ik een paar maanden geleden begon te lezen in een boek over Friedrich Nietzsche laaide de innerlijke worsteling weer in alle hevigheid op en ontstond er epische tweestrijd in mijn hoofd.
In de ene hoek stond een kleine Duitse filosoof met een enorme snor te briesen en te tieren, hij kraamde de meest verlichte en redelijk argumenten uit, stampte met zijn voeten op de grond, riep dat we het dan maar zelf moesten weten. Ik meende in zijn ogen een diep medeleven te bespeuren met ons lot, maar dat zou hij zelf zeker ontkend hebben.
In de andere hoek stond Jezus, verkleed als beste vriend, met een stralende halo om zijn hoofd en zijn vingers in zijn oren. Op zachte, zalvende toon zei hij: ‘Ik luister lekker toch niet, ik luister lekker toch niet.’

Zo’n strijd levert nogal wat existentiële paniekmomenten op. Natuurlijk kies ik er zelf voor om moeilijke boeken te lezen en mezelf moeilijke vragen te stellen. Met die onzekerheden kan ik gelukkig redelijk omgaan. Dat wil zeggen, je went eraan. Ik zou het echter niet aan iedereen willen aanraden. Zeker niet aan de kleuters in mijn klas. Daarom had ik het hele kerstverhaal maar zoveel mogelijk vermeden en het vooral gehad over het feest van de lichtjes, over de kortste dag en langste nacht en over Rudolf het rendier.

Helaas gooide de onderwijsmethode waarmee wij werken toch nog roet in het eten. Ik ontkwam er niet aan. De laatste dag voor het kerstdiner moest het kerstverhaal toch verteld worden. Wel in een brave ontheiligde versie, maar toch. Ik sprak mezelf moed in met de argumentatie dat het een belangrijke culturele erfenis is, dat de kinderen  het toch moeten kennen, dat het bovendien een mooi verhaal is.

Ik deed de lampen uit, projecteerde een haardvuur op het smartboard en begon te vertellen. Alle kleuters vonden het een fantastisch verhaal, ze zaten ademloos te luisteren. Op onze kerkkleuter na, die liep de hele tijd op en neer naar de wc.

Toen het verhaal was afgelopen gingen de kleuters vrolijk en geïnspireerd spelen. Ze speelden nu geen boerderijtje meer bij de kerststal. Ze speelden Jezof en Marietje; de namen waren nog niet helemaal blijven hangen. Maar de boodschap was overgekomen.